Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AN8907

Datum uitspraak2004-02-20
Datum gepubliceerd2004-02-20
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC03/059HR
Statusgepubliceerd


Indicatie

20 februari 2004 Eerste Kamer Nr. C03/059HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: GEMEENTE HILVERSUM, gevestigd te Hilversum, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen, t e g e n [Verweerder], wonende, althans verblijvende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...


Conclusie anoniem

Rolnr. C03/059HR Mr L. Strikwerda Zt. 21 nov. 2003 (bij vervroeging) conclusie inzake Gemeente Hilversum tegen [Verweerder] Edelhoogachtbaar College, 1. Deze zaak betreft een overgangsrechtelijk probleem in verband met de intrekking van de Wet van 26 april 1995, houdende bepalingen inzake gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, Stb. 1995, 158, hierna: de Zorgwet vvtv. 2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 3 en 4.1 van het bestreden arrest van het Hof in verbinding met r.o. 1 a t/m f van het vonnis van de Voorzieningenrechter). (i) Thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], is afkomstig uit Noord-Irak. Hij heeft op 11 september 1997 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aanvragen ingediend om tot Nederland te worden toegelaten als vluchteling en tot verlening van een vergunning tot verblijf. Bij beschikking van 10 september 1998 heeft de IND deze aanvragen afgewezen. Wel is aan [verweerder] een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend. (ii) Thans eiseres tot cassatie, hierna: de Gemeente, heeft in het kader van haar taakstelling krachtens de Zorgwet vvtv op 9 februari 1999 een bruikleenovereenkomst met [verweerder] gesloten inzake het gebruik door [verweerder] van een kamer en gemeenschappelijke ruimten en voorzieningen in een woning te [plaats]. Art. 3, tweede lid, van deze overeenkomst luidt, voor zover thans van belang: "De bruikleenovereenkomst eindigt op de dag dat de bruiklener niet meer beschikt over een geldig VVTV-document, (...)." (iii) Het door [verweerder] tegen de onder (i) genoemde beschikking van 10 september 1998 ingediende bezwaar is bij beschikking van 6 oktober 1999 ongegrond verklaard. Tevens is hierbij de aan [verweerder] verleende vvtv ingetrokken. (iv) Tegen de ongegrondverklaring van het bezwaarschrift heeft [verweerder] op 1 november 1999 beroep ingesteld bij de Rechtbank 's-Gravenhage, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch. Tegen het intrekken van de aan hem verleende vvtv heeft [verweerder] op diezelfde dag bezwaar gemaakt en tevens de President van de Rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep en het bezwaar zal zijn beslist. (v) De Rechtbank heeft bij uitspraak van 6 december 2001 het beroep ongegrond verklaard. Ter terechtzitting op 31 oktober 2001 heeft [verweerder] zijn tegen de intrekking van de vvtv gerichte verzoek om een voorlopige voorziening, alsmede het daartegen gerichte bezwaar ingetrokken. Daarmee werd de intrekking van de vvtv ook onherroepelijk. (vi) Bij aangetekend schrijven van 16 april 2002 heeft de Gemeente [verweerder] meegedeeld dat de gemeentelijke voorzieningen van rechtswege zijn geëindigd en dat hij met ingang van 15 mei 2002 de woning dient te hebben verlaten. [Verweerder] heeft aan het hiertoe betekende deurwaardersexploit van 24 mei 2002 geen gevolg gegeven. 3. Bij exploit van 19 juni 2002 heeft de Gemeente [verweerder] in kort geding gedagvaard voor de Voorzieningenrechter in de Rechtbank Amsterdam en gevorderd dat [verweerder] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning. De Gemeente heeft gesteld dat [verweerder], nu deze op grond van de uitspraken van de Rechtbank 's-Gravenhage d.d. 6 december 2001 niet langer over een geldige titel beschikt om in Nederland te verblijven, zonder recht of titel in de woning verblijft. Zijn rechten op grond van de Zorgwet vvtv zijn van rechtswege geëindigd en de bruikleenovereenkomst is overeenkomstig art. 3, tweede lid, geëindigd, aldus de Gemeente. 4. Nadat [verweerder] de vordering had bestreden, heeft de Voorzieningenrechter bij vonnis van 11 juli 2002 de vordering van de Gemeente toegewezen en [verweerder] veroordeeld om binnen acht dagen na betekening van het vonnis de woning te ontruimen. Naar het oordeel van de Voorzieningenrechter verblijft [verweerder] thans zonder recht of titel in de woning, aangezien de verstrekkingen aan [verweerder] vier weken na 7 december 2001 van rechtswege zijn geëindigd en in het onderhavige geval niet enig stappenplan van toepassing is, nu de beslissing tot intrekking van de vvtv op 31 oktober 2001 - de dag waarop [verweerder] zijn tegen die beslissing gerichte bezwaar introk - formele rechtskracht heeft gekregen. 5. Op het hoger beroep van [verweerder] heeft het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 19 december 2002 het vonnis van de Voorzieningenrechter evenwel vernietigd en, opnieuw recht doende, de vordering van de Gemeente afgewezen. Daartoe overwoog het Hof - kort gezegd - dat in het onderhavige geval nog het oude terugkeerbeleid en meer bepaald het zgn. Stappenplan 1999 van toepassing is, nu de beslissing tot intrekking van de vvtv dateert van 6 oktober 1999 en - anders dan de Voorzieningenrechter heeft geoordeeld - niet van belang is wanneer deze beslissing formele rechtskracht heeft gekregen (r.o. 4.3). Waar onder het Stappenplan 1999 de opvangvoorzieningen niet zonder meer kunnen worden beëindigd en, naar tussen partijen vaststaat, de handelingen die in het Stappenplan zijn voorzien, niet hebben plaatsgehad, bestaat er thans onvoldoende rechtvaardiging om te oordelen dat [verweerder] niet aan het in het Stappenplan 1999 besloten liggende zgn. meewerkcriterium heeft voldaan (r.o. 4.4). 6. De Gemeente is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit drie onderdelen opgebouwd middel. [Verweerder] is in cassatie niet verschenen. 7. Na onderdeel 1, dat een inleidend karakter heeft en geen klacht bevat, bestrijdt onderdeel 2 van het middel r.o. 4.3 van het bestreden arrest met een rechtsklacht. Het betoogt dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat op [verweerder] het Stappenplan 1999 - met daarin het zgn. meewerkcriterium - van toepassing is. Volgens het onderdeel heeft het Hof miskend dat door de Gemeente aan [verweerder] geen voorzieningen zijn verstrekt uit hoofde van de ROA of de Rva 1997 maar voorzieningen uit hoofde van de Zorgwet vvtv en dat met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 de voorzieningen die [verweerder] uit hoofde van deze wet ontving van rechtswege zijn geëindigd per 29 april 2001 dan wel, indien de beschikking in primo van de Staatssecretaris van Justitie van 6 oktober 1999 zou zijn geschorst door het instellen door [verweerder] van het bezwaar en het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, per 29 november 2001 (28 dagen na 31 oktober 2001, de dag waarop het bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn ingetrokken). 8. Het Stappenplan 1999 (voluit: "Herzien stappenplan beëindiging opvang ongedocumenteerd asielzoekers") is neergelegd in een circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 8 januari 1999, Stcr. 1999, 53. Het bevat een nadere uitwerking van de in art. 8 van de Rva 1997 (Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen, Besluit van 18 december 1997, Stcr. 1997, 246) voorziene regeling van de beëindiging van zgn. ROA/RVA-voorzieningen, dat wil zeggen voorzieningen verstrekt uit hoofde van de Regeling opvang asielzoekers (Stcr. 1987, 75) en/of uit hoofde van de Rva 1997. 9. In het onderhavige geval zijn, zoals het Hof als vaststaand heeft aangenomen en in cassatie ook niet wordt betwist, aan [verweerder] geen ROA/RVA-voorzieningen verstrekt, doch zijn hem voorzieningen verstrekt op de voet van (art. 10 van) de Zorgwet vvtv. Ten aanzien van hem is het Stappenplan 1999 derhalve niet van toepassing. Vgl. F. Larsson, Nieuwsbrief Asiel- en Vluchtenlingenrecht, 2001, blz. 394-395. 10. Daarmee is nog niet beantwoord de vraag of de aan [verweerder] verstrekte voorzieningen met de intrekking van de Zorgwet vvtv van rechtswege zijn geëindigd. Voor de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang. 11. De Zorgwet vvtv is bij de Invoeringswet van de op 1 april 2001 in werking getreden Vreemdelingenwet 2000 ingetrokken (art. 4 van hoofdstuk 2 van de Invoeringswet). Ten aanzien van het overgangsregime bepaalt art. 5 van hoofdstuk 11 van de Invoeringswet het volgende: 1. In afwijking van artikel 4 van hoofdstuk 2 kan de toepassing van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf gedurende ten hoogste zes maanden worden voortgezet ten aanzien van een vreemdeling die op de dag, voorafgaande aan de inwerkingtreding van dat artikel, als vergunninghouder verstrekkingen op grond van die wet genoot. 2. In afwijking van artikel 4 van hoofdstuk 2 kan de toepassing van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf worden voortgezet ten aanzien van een vreemdeling die op de dag, voorafgaande aan de inwerkingtreding van dat artikel, niet langer houder is van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, maar wel de verstrekkingen op grond van die wet geniet. Deze verstrekkingen eindigen vier weken na de dag waarop de beschikking is bekend gemaakt, waarbij de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is ingetrokken of de geldigheidsduur van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is geëindigd. Indien de werking van de beschikking waarbij de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is ingetrokken of de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur is afgewezen, is opgeschort, eindigen de verstrekkingen vier weken na de dag waarop de opschorting eindigt en uitzetting om die reden niet langer achterwege hoeft te blijven. Indien daarvan sprake is vóór de inwerkingtreding van deze wet, dan eindigen de verstrekkingen vier weken na de dag waarop deze Wet in werking is getreden. Hieruit volgt dat met ingang van 1 april 2001, de datum van inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000, voor vreemdelingen ten aanzien van wie ná 1 april 2001 de beslissing tot intrekking of niet-verlenging van de vvtv is genomen, de verstrekkingen op grond van de Zorgwet vvtv vier weken na die beslissing eindigen. Is de beslissing genomen vóór 1 april 2001 dan eindigen de verstrekkingen vier weken na 1 april 2001, derhalve op 29 april 2001. Een afzonderlijke beëindigingsbeschikking is niet voorgeschreven; de verstrekkingen eindigen derhalve van rechtswege. 12. In het onderhavige geval heeft de Staatssecretaris van Justitie op 6 oktober 1999 bij beschikking de aan [verweerder] verleende vvtv ingetrokken. [Verweerder] heeft zijn tegen de intrekking gemaakte bezwaar ingetrokken op 31 oktober 2001. De beslissing tot intrekking of niet-verlenging van de vvtv is, indien ervan wordt uitgegaan dat de beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 6 oktober 1999 is geschorst door het instellen door [verweerder] van het bezwaar en het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, derhalve op 31 oktober 2001 onherroepelijk geworden, zodat de aan [verweerder] op grond van de Zorgwet vvtv verstrekte voorzieningen ingevolge art. 5 lid 2 van hoofdstuk 11 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 vier weken na 31 oktober 2001, derhalve op 29 november 2001, van rechtswege eindigden. 13. Aan het vorenstaande kan het Stappenplan Zorgwet vvtv (op 2 december 2000 inwerkinggetreden circulaire van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid, Stcr. 2000, 233) niet afdoen, reeds omdat dit stappenplan ten aanzien van [betrokkene 1] niet van toepassing is. Het Stappenplan Zorgwet vvtv is blijkens de Inleiding en de omschrijving van de doelgroep (onder 1.2) slechts van toepassing op vreemdelingen aan wie voorzieningen worden verstrekt in het kader van de Zorgwet vvtv en ten aanzien van wie in de periode van 2 december 2000 (de datum van inwerkingtreding van het stappenplan) tot 1 april 2001 (de datum van inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000) een beslissing tot intrekking of niet verlenging van de vvtv is genomen of een negatieve beslissing op het ingediende bezwaar tegen de intrekking of de niet-verlenging van de vvtv is genomen. Vgl. Larsson t.a.p. Ten aanzien van [verweerder] valt, zowel indien wordt uitgegaan van de dagtekening van de beschikking van de Staatssecretaris tot intrekking van de vvtv (6 oktober 1999) als indien wordt uitgegaan van de datum waarop [verweerder] zijn bezwaar tegen die beschikking heeft ingetrokken (31 oktober 2001), de relevante beslissing buiten genoemde periode. 14. Onderdeel 2 van het middel is, zo volgt, gegrond. 15. Dit zo zijnde, treft ook onderdeel 3 van het middel, dat zich richt tegen de op het door onderdeel 2 gewraakte oordeel van het Hof voortbouwende oordelen - in r.o. 4.4 en 4.5 - over de vraag of [verweerder] heeft voldaan aan het zgn. meewerkcriterium van het Stappenplan 1999, doel. 16. Na vernietiging van het bestreden arrest zal verwijzing moeten volgen, opdat de door het Hof niet behandelde grieven 2 en 3 van [verweerder] tegen het vonnis van de Voorzieningenrechter alsnog worden onderzocht. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het Gerechtshof te Amsterdam en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,


Uitspraak

20 februari 2004 Eerste Kamer Nr. C03/059HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: GEMEENTE HILVERSUM, gevestigd te Hilversum, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen, t e g e n [Verweerder], wonende, althans verblijvende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: de Gemeente - heeft bij exploot van 19 juni 2002 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen de woonruimte aan het adres [a-straat 1] te [plaats] binnen acht dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis met alle zich daarin van zijnentwege bevindende personen en/of zaken te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van de Gemeente te stellen, met machtiging van haar om die ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, met behulp van de sterke arm van politie en justitie, zulks op kosten van [verweerder], en met diens veroordeling in de kosten van deze procedure. [Verweerder] heeft de vordering bestreden en gevorderd: - de gevraagde voorziening af te wijzen, althans - te bepalen dat de gevraagde voorziening niet ten uitvoer gelegd kan worden totdat de gemeente heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk naar Noord-Irak kan terugkeren, althans zorg heeft gedragen voor de correcte afwikkeling van het Stappenplan 1999, - met veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 11 juli 2002 de vordering van de Gemeente toegewezen, [verweerder] veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van de Gemeente, dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij memorie van grieven heeft hij vernietiging van voormeld vonnis gevorderd en, opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad: primair de vordering in eerste aanleg van de Gemeente af te wijzen, en subsidiair de Gemeente te veroordelen om [verweerder] binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen arrest weer volledige opvang waarop hij recht heeft krachtens het Stappenplan 1999/III te verlenen, bij gebreke waarvan de Gemeente een dwangsom van € 200,-- aan hem zal dienen te betalen voor iedere dag dat het arrest niet wordt geëxecuteerd. Bij arrest van 19 december 2002 heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de Gemeente afgewezen, de Gemeente veroordeeld in de kosten van beide instanties aan de zijde van [verweerder], de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend. De Gemeente heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te Amsterdam en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) [Verweerder] is afkomstig uit Irak. Hij heeft op 11 september 1997 bij de Immigratie- en Naturalisatie-dienst (IND) aanvragen ingediend om tot Nederland te worden toegelaten als vluchteling en tot verlening van een vergunning tot verblijf. Bij beschikking van 10 september 1998 heeft de IND deze aanvragen afgewezen. Wel is aan [verweerder] een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend. (ii) De gemeente heeft in het kader van de taakstelling zoals bedoeld in de Wet van 26 april 1995, houdende bepalingen inzake gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, Stb. 1995, 158 (hierna: de Zorgwet vvtv) op 9 februari 1999 een bruikleenovereenkomst gesloten met [verweerder] inzake het gebruik door [verweerder] van (gedeelten van) een woning in [plaats]. Art. 3, tweede lid, van deze overeenkomst luidt, voorzover in cassatie van belang: "De bruikleenovereenkomst eindigt op de dag dat de bruiklener niet meer beschikt over een geldig VVTV-document (...)." (iii) Het door [verweerder] tegen de beschikking van 10 september 1998 ingediende bezwaar is bij beschikking van 6 oktober 1999 ongegrond verklaard. Tevens is hierbij de aan [verweerder] verleende vvtv ingetrokken. (iv) Tegen de ongegrondverklaring van het bezwaarschrift heeft [verweerder] op 1 november 1999 beroep ingesteld bij de rechtbank 's-Gravenhage, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch. Tegen het intrekken van de aan hem verleende vvtv heeft [verweerder] op dezelfde dag bezwaar gemaakt en tevens de president van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep en het bezwaar zal zijn beslist. (v) De rechtbank heeft bij uitspraak van 6 december 2001 het beroep ongegrond verklaard. Ter terechtzitting van 31 oktober 2001 heeft [verweerder] zijn tegen de intrekking van de vvtv gerichte verzoek om een voorlopige voorziening, alsmede het daartegen gerichte bezwaar ingetrokken. Daarmee werd de intrekking van de vvtv onherroepelijk. (vi) Bij aangetekend schrijven van 16 april 2002 heeft de gemeente [verweerder] medegedeeld dat de gemeentelijke voorzieningen van rechtswege zijn geëindigd en dat hij met ingang van 15 mei 2002 de woning dient te hebben verlaten. [Verweerder] heeft aan het hiertoe betekende deurwaardersexploot van 24 mei 2002 geen gevolg gegeven. 3.2 De gemeente heeft in kort geding gevorderd dat [verweerder] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning. De gemeente heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat [verweerder] zonder recht of titel in de woning verblijft, nu hij op grond van de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 december 2001 niet langer over een geldige titel beschikt om in Nederland te verblijven. Zijn rechten op grond van de Zorgwet vvtv zijn van rechtswege geëindigd en de bruikleenovereenkomst is overeenkomstig art. 3, tweede lid, geëindigd, aldus de gemeente. Nadat [verweerder] verweer had gevoerd, heeft de voorzieningenrechter de vordering van de gemeente toegewezen. Op het door [verweerder] ingestelde hoger beroep heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de vordering van de gemeente alsnog afgewezen. De overwegingen van het hof komen, kort gezegd, op het volgende neer. Nu de beslissing tot intrekking van de vvtv dateert van 6 oktober 1999, is op [verweerder] het Stappenplan 1999 van toepassing (rov. 4.3.5-4.3.6). Tussen partijen staat vast dat de handelingen die in dat Stappenplan zijn voorzien, niet hebben plaatsgehad. Reeds daarom bestaat er, aldus het hof, thans onvoldoende rechtvaardiging om te oordelen dat [verweerder] niet aan het in het Stappenplan 1999 neergelegde meewerkcriterium heeft voldaan (rov. 4.4). 3.3.1 Onderdeel 2 - onderdeel 1 bevat geen klacht - klaagt dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat op [verweerder] het Stappenplan 1999 van toepassing is. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat de gemeente aan [verweerder] geen voorzieningen heeft verstrekt uit hoofde van de Regeling opvang asielzoekers (Stcrt. 1987, 75) (hierna: ROA) of van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Stcrt. 1997, 246) (hierna: Rva 1997), maar voorzieningen uit hoofde van de Zorgwet vvtv, en dat met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 de voorzieningen die [verweerder] uit hoofde van de Zorgwet vvtv ontving, van rechtswege zijn geëindigd per 29 april 2001, dan wel, indien de beschikking van 6 oktober 1999 zou zijn geschorst door het instellen van bezwaar en het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening, per 29 november 2001. 3.3.2 Het Stappenplan 1999 (voluit: Herzien stappenplan beëindigen opvangvoorzieningen ongedocumenteerde asiel-zoekers) bevat een uitwerking van de in art. 8 Rva 1997 voorziene regeling van de beëindiging van zogeheten ROA/RVA-voorzieningen, dat wil zeggen voorzieningen verstrekt uit hoofde van de ROA en/of uit hoofde van de Rva 1997. Het hof heeft - in cassatie onbestreden - als vaststaand aangenomen dat aan [verweerder] geen ROA/RVA-voorzieningen zijn verstrekt, doch voorzieningen op de voet van (art. 10 van) de Zorgwet vvtv. Dit betekent dat op [verweerder] het Stappenplan 1999 niet van toepassing is. 3.3.3 Bij de beantwoording van de vraag of - zoals het onderdeel betoogt - de aan [verweerder] verstrekte voorzieningen per 29 april 2001 dan wel per 29 november 2001 van rechtswege zijn beëindigd, is het volgende van belang. Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 in werking getreden, alsmede de daarmee verband houdende Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 (Stb. 2000, 496). Bij de Invoeringswet is de Zorgwet vvtv ingetrokken (art. 4 van hoofdstuk 2 van de Invoeringswet). Ten aanzien van het overgangsregime bepaalt art. 5 van hoofdstuk 11 van de Invoeringswet het volgende: "1. In afwijking van artikel 4 van hoofdstuk 2 kan de toepassing van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf gedurende ten hoogste zes maanden worden voortgezet ten aanzien van een vreemdeling die op de dag, voorafgaande aan de inwerkingtreding van dat artikel, als vergunninghouder verstrekkingen op grond van die wet genoot. 2. In afwijking van artikel 4 van hoofdstuk 2 kan de toepassing van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf worden voortgezet ten aanzien van een vreemdeling die op de dag, voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel, niet langer houder is van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, maar wel de verstrekkingen op grond van die wet geniet. Deze verstrekkingen eindigen vier weken na de dag waarop de beschikking is bekend gemaakt, waarbij de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is ingetrokken of de geldigheidsduur van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is geëindigd. Indien de werking van de beschikking waarbij de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is ingetrokken of de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur is afgewezen, is opgeschort, eindigen de verstrekkingen vier weken na de dag waarop de opschorting eindigt en uitzetting om die reden niet langer achterwege hoeft te blijven. Indien daarvan sprake is vóór de inwerkingtreding van deze wet, dan eindigen de verstrekkingen vier weken na de dag waarop deze Wet in werking is getreden." Het tweede lid van voormeld art. 5 houdt derhalve in dat met ingang van 1 april 2001 (de datum van inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000) voor vreemdelingen ten aanzien van wie ná 1 april 2001 de beslissing tot intrekking of niet-verlenging van de vvtv is genomen, de verstrekkingen op grond van de Zorgwet vvtv eindigen vier weken na de dag waarop die beslissing is bekend gemaakt. Voor vreemdelingen ten aanzien van wie een dergelijke beslissing is genomen vóór 1 april 2001 geldt dat de verstrekkingen eindigen vier weken na 1 april 2001, derhalve op 29 april 2001. De wet schrijft niet voor dat een afzonderlijke beëindigingsbeschikking noodzakelijk is; de verstrekkingen eindigen derhalve van rechtswege. In het onderhavige geval heeft de Staatssecretaris van Justitie bij beschikking van 6 oktober 1999 de aan [verweerder] verleende vvtv ingetrokken. [Verweerder] heeft zijn tegen de intrekking gemaakte bezwaar ingetrokken op 31 oktober 2001. De beslissing tot intrekking of niet-verlenging van de vvtv is, indien ervan wordt uitgegaan dat de beschikking van 6 oktober 1999 is geschorst door het instellen van het bezwaar en het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, derhalve op 31 oktober 2001 onherroepelijk geworden, zodat ingevolge art. 5 lid 2 van hoofdstuk 11 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 de aan [verweerder] op grond van de Zorgwet vvtv verstrekte voorzieningen vier weken na 31 oktober 2001, derhalve op 29 november 2001, van rechtswege eindigden. Onderdeel 2 is dus gegrond. 3.3.4 Opmerking verdient nog dat het Stappenplan Zorgwet VVTV (circulaire van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid, Stcrt. 2000, 233) aan het voorgaande niet kan afdoen. Dit Stappenplan is blijkens de omschrijving van de doelgroep (onder 1.2) slechts van toepassing op vreemdelingen aan wie voorzieningen worden verstrekt in het kader van de Zorgwet vvtv en ten aanzien van wie in de periode tussen 2 december 2000 (de datum van inwerkingtreding van het Stappenplan) en 1 april 2001 (de datum van inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000) een beslissing tot intrekking of niet-verlenging van de vvtv is genomen of een negatieve beslissing op het ingediende bezwaar tegen de intrekking of de niet-verlenging van de vvtv is genomen. Zowel indien wordt uitgegaan van de datum van intrekking van de vvtv, 6 oktober 1999, als indien wordt uitgegaan van de datum waarop [verweerder] zijn bezwaar tegen die intrekking heeft ingetrokken, 31 oktober 2001, is het Stappenplan Zorgwet VVTV op [verweerder] dus niet van toepassing. 3.4 Onderdeel 3 is gericht tegen de rov. 4.4 en 4.5, in welke rechtsoverwegingen het hof heeft geoordeeld over de vraag of [verweerder] heeft voldaan aan het meewerkcriterium van het Stappenplan 1999. Nu deze overwegingen van het hof voortbouwen op het - bij de behandeling van onderdeel 2 onjuist bevonden - oordeel van het hof dat het Stappenplan 1999 ten aanzien van [verweerder] van toepassing is, is ook het tegen deze overwegingen gerichte onderdeel 3 gegrond. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 19 december 2002; verwijst de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op € 407,34 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 20 februari 2004.